Hoe geef je je grenzen aan als je blind of slechtziend bent?

Als je blind of slechtziend bent, bieden mensen vaak hulp aan. Meestal is dat goed bedoeld. Toch kan hulp als onprettig worden ervaren wanneer iemand je onverwacht vastpakt, iets van je overneemt of namens jou praat.

Hoe geef je dan duidelijk je grens aan? Zeg kort wat je niet prettig vindt en vertel meteen wat wel helpt. Je hoeft je grens niet uitgebreid uit te leggen of te verdedigen.

Bepaal eerst wat voor jou werkt

Niet iedereen wil op dezelfde manier worden geholpen. De ene persoon houdt tijdens het lopen graag de arm van een begeleider vast. Een ander heeft alleen mondelinge aanwijzingen nodig.

Ook kan je behoefte per situatie verschillen. Op een rustige plek wil je misschien zelfstandig lopen. Op een druk station heb je mogelijk meer begeleiding nodig.

Grenzen kunnen bijvoorbeeld gaan over aanraken, begeleiden, het verplaatsen van je spullen, persoonlijke informatie, rust en extra tijd. Wat vandaag prettig is, kan morgen te veel zijn. Ook dat mag je aangeven.

Wat kun je zeggen om je grens aan te geven?

Korte, duidelijke zinnen werken vaak het best. Vertel niet alleen wat iemand niet moet doen, maar ook wat wel helpt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

“Vraag eerst even of ik hulp nodig heb.”
“Laat mij jouw arm vasthouden.”
“Praat alsjeblieft rechtstreeks tegen mij.”
“Zet mijn spullen niet ergens anders neer zonder het te zeggen.”
“Ik wil het eerst zelf proberen.”
“Geef mij even tijd om dit met mijn schermlezer te lezen.”
“Het is hier te druk. Laten we ergens rustiger gaan zitten.”

Een duidelijke zin is genoeg. Je hoeft geen lange uitleg te geven.

Wat doe je als iemand je onverwacht vastpakt?

Wanneer iemand je plotseling pakt, trekt of duwt, mag je direct reageren: “Stop even. Zo wil ik niet begeleid worden.”

Vertel daarna wat wel werkt: “Laat mij jouw arm pakken. Dan kan ik beter volgen.”

Dit is vooral belangrijk bij een trap, op een perron of in een drukke straat. Een onverwachte beweging kan ervoor zorgen dat je je oriëntatie verliest.

Kon je op het moment zelf niets zeggen? Dan kun je er later op terugkomen: “Gisteren pakte je mij onverwacht vast. Vraag het de volgende keer eerst.”

Hoe geef je grenzen aan bij familie en vrienden?

Bij bekenden kan het lastiger zijn. Zij denken soms al te weten wat je nodig hebt.

Je kunt dan zeggen: “Het is fijn dat je wilt helpen, maar laat mij eerst zelf proberen.”

Of:

“Ik wil zelf bepalen aan wie ik dit vertel. Bespreek het voortaan eerst met mij.”

Blijft iemand doorgaan, dan mag je steviger worden: “Ik heb dit al eerder aangegeven. Ik wil dat je hiermee stopt.”

Jij bepaalt hoe hulp eruitziet

Je mag hulp weigeren. Je mag vragen om een andere manier van helpen. Ook mag je aangeven dat iets te veel energie kost.

De belangrijkste conclusie is: goede hulp begint niet met zomaar iets doen, maar met vragen wat jij nodig hebt. Jij bepaalt hoe je geholpen, begeleid en aangesproken wilt worden.

Een grens is geen afwijzing van de ander. Je maakt duidelijk wat jij nodig hebt om je veilig, serieus genomen en zelfstandig te voelen.

Bieden mensen je regelmatig hulp aan maar kan dat volgens jou ook op een andere manier? Stuur dit artikel dan gerust naar hen door. Zo begrijpen zij beter wat passende hulp is en kunnen jullie samen bespreken wat voor jou prettig werkt.

Reisassistentie luchthaven

Deel via WhatsApp
Volg onze updates via WhatsApp

Volg Inge op LinkedIn

Gerelateerde berichten

Een taststok helpt je om obstakels, hoogteverschillen en veranderingen in de ondergrond op tijd op te merken. Welke stok goed bij je past, hangt niet alleen af van je lengte.

Wil je beginnen met sporten als je blind of slechtziend bent? Dan helpt het om rustig op te bouwen, vooraf de sportomgeving te leren kennen en duidelijk af te spreken

“Maar je ziet toch nog iets?” Veel slechtziende mensen herkennen die vraag. Vaak ontstaat het misverstand doordat mensen denken: je ziet, of je ziet niets. Bij slechtziendheid ligt dat meestal